In Nederland zijn er naar schatting 250.000 tot 300.000 mensen met een reuk- en/of een smaakstoornis. Van deze mensen heeft ongeveer 90% een reukstoornis. De meest voorkomende oorzaken voor het ontstaan van een reukstoornis zijn: een trauma aan het hoofd, sinonasale afwijkingen (zoals chronische ontstekingen) of ontsteking van de bovenste luchtwegen. Er zijn verschillende soorten reukstoornissen. De verzamelnaam voor al deze stoornissen is dysosmie.

Reukstoornissen

Anosmie

Anosmie is het totale verlies van het reukvermogen. Hierbij kan het onderscheid gemaakt worden tussen selectieve anosmie en complete anosmie. Bij selectieve anosmie worden slechts bepaalde geuren niet meer waargenomen. Bij complete anosmie wordt geen enkele geur meer waargenomen.

Voor het ontstaan van anosmie zijn verschillende verklaringen. Soms kunnen geuren niet naar de goede plek geleid worden door verstoppingen in of beschadigingen van de neus. We spreken dan van een conductieve stoornis. Ook kan het zijn dat de geuren niet meer goed naar de hersenen geleid kunnen worden of niet verwerkt kunnen worden in de hersenen. We spreken dan van een sensorineurale stoornis. Daarnaast kan anosmie ook vanaf de geboorte al aanwezig zijn: we spreken dan van congenitale anosmie.

Mensen met anosmie hebben soms het gevoel dat ze bepaalde geuren toch waarnemen, zoals de geur van ammoniak. Bij het snuiven aan een fles ammoniak ontstaat namelijk een prikkeling in de neus. Deze prikkeling is geen geurwaarneming, maar een reactie van de trigeminale zenuw. Dit is één van de zenuwen die in de neusholte ligt.

Hyposmie

Hyposmie is een verminderd reukvermogen. Hyposmie is daardoor een kwantitatieve reukstoornis. Er zijn drie verschillende niveaus van hyposmie: mild, gemiddeld en ernstig. In welke categorie iemand valt, is afhankelijk van de vermindering van het reukvermogen en de leeftijd. Of iemand wel of niet hyposmie heeft, is dus niet met een hard getal te bepalen, doordat de diagnose hyposmie afhankelijk is van het gemiddelde reukvermogen in een leeftijdsgroep.

Hyposmie treedt vaak op bij veroudering: dit proces is niet omkeerbaar. Bij ongeveer de helft van de ouderen treedt verlies van reuk en/of smaak op. Dit wordt presbyosmie genoemd.

Fantosmie

Iemand die lijdt aan fantosmie (ook wel phantosmie of pseudosmie genoemd), heeft last van geurhallucinaties. Bij geurhallucinaties wordt er een geur waargenomen die in werkelijkheid niet aanwezig is. Wanneer dit vieze of onaangename geuren zijn, noemen we deze stoornis kakosmie. Geurhallucinaties ontstaan bij sommige mensen na een beschadiging aan de reukzenuw door een klap op het hoofd. De reukzenuw kan na een beschadiging op de verkeerde manier weer aangroeien. Hierdoor wordt de signaaloverdracht naar de hersenen verstoord.

Geurhallucinaties kunnen door verschillende oorzaken en op onvoorspelbare momenten ontstaan. Deze stoornis kan daardoor een grote invloed op het dagelijks leven hebben.

Parosmie

Parosmie is een kwalitatieve verstoring van het reukvermogen. Geuren worden nog wel met dezelfde intensiteit waargenomen, maar de geuren worden op een andere manier geregistreerd dan normaal gesproken. Ook parosmie kan, net als fantosmie, ontstaan door het verkeerd aangroeien van de reukzenuw na beschadiging van deze zenuw.

In de registratie van de geuren bij parosmie is het volgende onderscheid te maken:

  • Euosmie: bestaande geuren worden waargenomen als prettige geuren.
  • Troposmie: bestaande geuren worden waargenomen als vieze of onprettige geuren (vaak een verbrande of rotte geur).

Hyperosmie

We spreken van hyperosmie wanneer iemand lijdt aan overmatige geurwaarnemingen. Geuren worden op de juiste manier geregistreerd, maar worden op een hogere intensiteit waargenomen. Hierdoor kunnen geuren als erg overweldigend ervaren worden. Vaak wordt hyperosmie door bepaalde geuren geactiveerd, zoals parfum, verf of etenswaren met een sterke geur, zoals kaas. Dit gebeurt meestal op een onverwacht moment, waardoor deze stoornis een grote invloed op het dagelijks leven kan hebben.

Agnosmie

Bij agnosmie worden geuren nog wel waargenomen. De persoon die deze geuren waarneemt, is echter niet in staat om de waargenomen geuren te benoemen. Over deze stoornis van het reukvermogen is tot nu toe nog weinig bekend.

Smaakstoornissen

Zo’n 6% van de mensen met een reuk- en/of een smaakstoornis heeft zowel een reuk- als smaakstoornis; slechts 4% van de mensen heeft een smaakstoornis. Smaakstoornissen kunnen veroorzaakt worden door schade aan de aangezichtszenuw of schade aan de smaakpapillen. Schade hieraan kan bijvoorbeeld ontstaan door een trauma, een operatie of een infectie.

Smaakstoornissen zijn zeldzaam ten opzichte van reukstoornissen. Toch denken veel mensen met een reukstoornis dat zij ook een smaakstoornis hebben. Dit komt doordat het menselijk lichaam twee verschillende manieren kent om geuren waar te nemen.  Niet alleen via de neus, maar ook via de mond worden geurstoffen vervoerd naar het reukorgaan in de hersenen. Door deze connectie tussen de mond en de neus, hebben geuren een grote invloed op de smaak van voeding. Hierdoor wordt een verminderd reukvermogen vaak verward met een verminderd smaakvermogen. Wanneer we hier spreken over smaak, worden de basissmaken zout, zuur, zoet en bitter bedoeld. Smaakbeleving is het totaalplaatje van geur en smaak.

Ageusie

Bij ageusie is er geen smaakvermogen meer aanwezig. Dit betekent dat de waarneming van één of meer van de basissmaken ontbreekt. Deze stoornis kan aangeboren zijn.  We spreken dan van congenitale ageusie.

Smaakverlies kan geïsoleerd voorkomen, maar ook in combinatie met andere neurologische symptomen, zoals uitval van zenuwen in het aangezicht. Het smaakverlies is dan vaak een neveneffect van een andere aandoening.

Hypogeusie

Bij hypogeusie is sprake van een verminderd smaakvermogen. Er zijn verschillende oorzaken bekend voor het ontstaan van hypogeusie. Een veel voorkomende oorzaak van verminderde smaak is het optreden van xerostomie. Dit is een vermindering van de speekselproductie, wat leidt tot een droge mond. Hierdoor wordt de interactie tussen de smaakstoffen en de smaakpapillen beperkt. Ook kan hypogeusie ontstaan door veroudering, doordat de gevoeligheid van smaakpapillen afneemt met de leeftijd.

Fantogeusie

Fantogeusie (of phantogeusie) is de perceptie van smaak zonder stimulus van buitenaf. Deze zogenaamde smaakhallucinaties kunnen op elk moment ontstaan. Medicatiegebruik is een veelvoorkomende oorzaak van smaakhallucinaties. Medicijnen die voor smaakhallucinaties zorgen, geven vaak een metalige of zoute smaak in de mond zonder een stimulus van buitenaf. Bij de meeste mensen verdwijnen deze smaken weer na het aanpassen of stoppen van de medicatie.

Parageusie

Bij parageusie worden smaken veranderd waargenomen. Er is een misinterpretatie van de smaak. Vaak leidt dit tot de waarneming van de smaak van vies of bedorven voedsel in plaats van de normale smaak. Een vieze smaaksensatie bij normaal gesproken plezierige smaken noemen we dysgeusie. Andersom, dus het waarnemen van normaal gesproken vieze smaken als prettige smaken, komt deze stoornis zelden voor.

Hypergeusie

Hypergeusie is het overmatig waarnemen van smaak. Deze stoornis ontstaat vaak als bijwerking van een medische behandeling, bijvoorbeeld chemotherapie bij kanker. Bij veel mensen ontstaat een overgevoeligheid voor één van de basissmaken, niet voor alle basissmaken tegelijk. Na het eindigen van de behandeling, verdwijnt vaak ook de overmatige waarneming van smaak.

Gustatorische agnosie

Bij gustatorische agnosmie worden smaken nog wel waargenomen. De persoon die deze smaken waarneemt, is echter niet in staat om de waargenomen smaken te benoemen. Over deze stoornis van het smaakvermogen is tot nu toe nog weinig bekend.

 

Elbrich Postma Msc – Mei 2016

Referenties

Fark, T., Hummel, C., Hähner, A., Nin, T., & Hummel, T. (2013). Characteristics of taste disorders. Eur Arch Otorhinolaryngol, 270(6), 1855–1860.

Hummel, T., Kobal, G., Gudziol, H., & Mackay-Sim, A. (2007). Normative data for the “Sniffin’ Sticks” including tests of odor identification, odor discrimination, and olfactory thresholds: an upgrade based on a group of more than 3,000 subjects. Eur Arch Otorhinolaryngol, 264(3), 237–243.

Klimek, L., & Moll, B. (2000). Riech- und Schmeckvermögen im Alter. Deutsches Ärzteblatt, 97(4), A911-A918.

Mann, N. M. (2002). Management of smell. Cleveland Clinic Journal of Medicine, 69(4), 329–336.

Naik, B.S., Shetty, N., & Maben, E.V.S. (2010). Drug-induced taste disorders. European Journal of Internal Medicine, 21(3), 240–243.

Nishijima, S., Yanase, T., Tsuneki, I., Tamura, M., & Kurabayashi, T. (2013). Examination of the taste disorder associated with gynecological cancer chemotherapy. Gynecologic Oncology, 131(3), 674–678.

Patel, R.M., & Pinto, J.M. (2014). Olfaction: anatomy, physiology, and disease. Clinical Anatomy (New York, N.Y.), 27(1), 54–60.

Su, N., Ching, V., & Grushka, M. (2013). Taste Disorders : A Review. J Can Dent Assoc, 79(86), 1–6.

Temmel, A., Quint, C., Schickinger-Fischer, B., Klimek, L., Stoller, E., & Hummel, T. (2002). Characteristics of olfactory disorders in relation to major causes of olfactory loss. Arch Otolaryngol Head Neck Surg, 128, 635–641.
Van Sonderen, A., De Laat, K. F., & Rijntjes, E. (2013). Smaakverlies: oorzaken, gevolgen en behandeling. Nederlands Tijdschrift Voor Geneeskunde, 157(50), 2372–2377.


Naar boven ↑